Ontslag en overplaatsing

Overplaatsing van nicu naar Post IC-HC of algemeen ziekenhuis

De baby heeft al een heel traject achter de rug op een Neonatale Intensive Care Unit (NICU) en is nu overgeplaatst na minstens 30 weken zwangerschap en heeft minimaal een gewicht van 1000 gram. Hij heeft nu niet meer de intensieve zorg van de NICU nodig, maar kan verpleegd worden in een Post IC-HC centrum of op een neonatologie afdeling van een algemeen ziekenhuis. Na overplaatsing zal geprobeerd worden de zorg zoveel mogelijk hetzelfde te laten verlopen zoals op de NICU. Het kan echter niet voorkomen worden dat sommige dingen net iets anders gaan. Als er vragen of twijfels ontstaan, is het belangrijk om daar altijd over in gesprek te blijven met de verpleegkundige of de arts.

In de eerste dagen na de overplaatsing zal er een gesprek met de kinderarts plaatsvinden. Daarin wordt het beloop van je baby tot overplaatsing met je besproken en eventueel de zwangerschap, daarnaast wordt de medische zorg en de afdeling uitgelegd. De planning van de eerste dagen wordt besproken. Het is mogelijk dat je baby bij moet komen van de overplaatsing. Vaak zien we in de praktijk dat de eerste dagen net wat meer ademhalingsondersteuning geboden moet worden dan voor de overplaatsing.

Verzorging: Wij moedigen je aan om zo veel mogelijk betrokken te zijn bij het verzorgen van je baby. Je zal begeleid worden in de zorg rondom je baby. Je hebt waarschijnlijk op de NICU al meegeholpen in de zorg. Bespreek met de verpleegkundige wat je al zelf doet en waar je nog ondersteuning wenst. Hierbij kun je denken aan de luier verschonen, de temperatuur meten en het badje.

Wanneer is je kind klaar voor ontslag naar huis?

Je kind kan naar huis als de zorg die je kind nodig heeft door jou als ouder thuis gegeven kan worden. In het algemeen betekent dit dat je kind geen ondersteuning of bewaking van de ademhaling meer nodig heeft, hij zichzelf goed op temperatuur kan houden in een bed, voldoende zelf kan drinken en daarbij goed groeit. Bij kinderen die te vroeg geboren zijn of een te laag geboortegewicht hebben is dat vaak bij een zwangerschapsduur tussen 36 en 40 weken en een gewicht vanaf 1800-2000 gram. Deze grenzen kunnen verschillen tussen ziekenhuizen. 

Met ondersteuning naar huis

In sommige gevallen is het mogelijk om te leren sondevoeding te geven zodat je met je kind met sondevoeding naar huis kan gaan. Je kind kan dan thuis in zijn eigen tempo meer zelf gaan drinken totdat de sonde niet meer nodig is (zie ook het artikel “Leren drinken”).Je hoeft de sonde niet zelf in te brengen maar wordt hierbij ondersteund door een speciaal thuiszorg team. De kinderarts zal je begeleiden poliklinisch met betrekking tot de voeding. Soms is het nodig dat een kind met zuurstof en dus ook monitorbewaking naar huis gaat. Dit wordt dan echter vooraf met jullie als ouders besproken. Ook hier wordt je poliklinisch begeleid door de kinderarts over het afbouwen van de zuurstof therapie. 

Informatie voor ontslag

Vóór ontslag krijg je van de verpleegkundige informatie over voeding, gebruik van medicijnen, behandeling en leefregels voor thuis. Meestal vindt er vóór ontslag nog een ontslaggesprek plaats met de arts en verpleegkundige. 

Nazorg

 Afhankelijk van het advies van de afdeling vindt er een nazorg traject plaats voor je baby. Dit kan een speciale nazorg spreekuur op de polikliniek zijn, een regulier spreekuur bij de kinderarts of reguliere controles bij het consultatiebureau. 

Afscheid van het ziekenhuis

Je leeft er vaak naartoe om met je kind naar huis te gaan, maar je kunt je er ook onzeker over voelen. Het is fijn als je kind thuis is, maar af en toe kun je ook de steun van artsen en verpleegkundigen missen. Soms zijn er aandachtspunten waar rekening mee gehouden moet worden. Het is heel goed mogelijk dat je thuis, vooral in het begin, nog vragen over je baby hebt. Zorg dat je bij vertrek uit het ziekenhuis afspraken maakt wie je kunt bellen als je zorgen hebt. Dit zou bijvoorbeeld de huisarts, de verpleegkundige van de Jeugdgezondheidszorg (JGZ) of de afdeling neonatologie kunnen zijn. Geef door aan de Jeugdgezondheidszorg dat je kind thuis is. Vanaf thuiskomst kunnen de jeugdartsen en jeugdverpleegkundigen je namelijk ook helpen bij vragen over je kind.  

Vergeet daarnaast de steun van familie en vrienden niet. Wees duidelijk naar hen. Geef aan welke hulp je graag hebt en wat je van hen verwacht. Misschien heb je nog recht op uitgestelde kraamzorg; informeer hiernaar bij je ziektekostenverzekering. 

In dit filmpje wordt uitleg gegeven over de overgang van ziekenhuis naar huis (het filmpje is in het Engels). 

Wanneer moet ik met mijn kind naar de dokter of eerste hulp?

Een lange opnameduur kan zorgen voor spanning wanneer je weer naar huis mag over wat nog normaal is voor jouw kind. Wanneer je twijfelt kan je de verpleegafdeling bellen of de (huis)arts. Met de tijd leer je je baby beter kennen en weet je wanneer je aan de bel moet trekken.

Hieronder zijn een paar kenmerken waarbij je aan de bel kan trekken:
  • Weinig eetlust
  • Overmatig en persisterend huilen. Meer dan normaal.
  • Minder actief dan normaal
  • Vaak hoesten
  • Veel overgeven of kokhalzen
  • Snel of moeizaam ademhalen met afwijkende bewegingen van de borstkas.
  • Kleurverandering: cyanose (blauwverkleuring), bleekheid, geelzucht
  • Meer frequente en dunnere ontlasting
  • Koorts
  • Huidafwijkingen
  • Abnormale bewegingen zoals (koorts)stuipen
  • Stank of pus uit navelstomp
Eenmaal thuis

De eerste weken thuis is het vaak wennen. Na thuiskomst uit het ziekenhuis hebben veel ouders het gevoel dat zij hun kind opnieuw moeten leren kennen. Dat is niet vreemd, je kind moet nog wennen aan de thuisomgeving. Tegelijkertijd wordt je kind steeds nieuwsgieriger naar alles om zich heen. 

De hersenen van te vroeg, te licht en ziek geboren kinderen kunnen al die prikkels nog niet altijd goed verwerken. Het gaat daarbij om prikkels van buiten, maar ook vanuit je kind zelf. Prikkels van buiten zijn bijvoorbeeld geluiden van andere mensen in huis, radio of TV, of buiten wandelen. Prikkels vanuit je kind zelf zijn bijvoorbeeld honger, darmkrampjes of ander ongemak. Deze ‘gewone’ prikkels kunnen voor je kind erg overweldigend zijn. Je merkt dit doordat je kind sneller schrikt, moeilijker te troosten is, of juist meer slaapt. Logisch dat dat je als ouder onzeker maakt of je het allemaal wel goed doet.

  • Zorg voor structuur: In het begin kan het helpen het ritme van het ziekenhuis aan te houden. Na verloop van tijd merk je dat je kind zijn eigen slaap/waakritme gaat zoeken. Er zijn minder medische omstandigheden waardoor hij in een ritme wordt gedwongen; hij kan nu echt op zijn eigen momenten zijn behoefte aan voeding en slaap aangeven. Zorg dat het in huis rustig is en vermijd overprikkeling (niet ineens te veel bezoek en nog boodschappen moeten doen). Rust en regelmaat is van belang, zorg voor een goede structuur in de dag en nacht.
    Laat je kind zien en voelen dat je er voor hem bent, door je kind geborgen bij je te houden/dragen. Dat helpt hem om een gevoel van geborgenheid en veiligheid te ontwikkelen en stimuleert de hechting tussen jullie.
  • Oudere kinderen: Heb je ook oudere kinderen? Zij voelen zich ook het best bij hun vertrouwde dagindeling en gewoonten. Hoe beter het thuis lukt om het ritme van je oudere kind(eren) hetzelfde als altijd te houden, hoe veiliger je pasgeboren kind zich ook zal voelen.
    Oudere kinderen merken trouwens vaak goed dat hun ouders onder grote druk en spanning staan. Kinderen voelen aan dat zij het leven van hun ouders niet nog lastiger moeten maken door dwars gedrag. Als verzorgers zich zoveel mogelijk aan het normale ritme en gewoontes houden, geeft dat steun. Probeer ervoor te zorgen dat het niet te druk wordt voor je oudere kind(eren) met extra uitjes en logeerpartijen in een minder bekende omgeving.
Bezoek thuis  

Nu je kind eindelijk thuis is, wil iedereen langskomen. Maar kinderen die te vroeg, te licht of ziek geboren zijn hebben extra behoefte aan rust en regelmaat. Zij zijn nog steeds extra gevoelig voor alles wat om hen heen gebeurt. Het is belangrijk dat je bezoek goed doseert: niet te veel mensen tegelijk en ook niet te lang. Zo kan het in het begin voor je kind bijvoorbeeld niet fijn zijn om bij veel verschillende mensen op schoot te gaan, dat kan veel prikkels en stress geven. 

Probeer ook het ritme van je kind niet te veel te verstoren: slaapt je kind, laat hem dan slapen. Je kunt er ook voor kiezen om juist wel iedereen tegelijk uit te nodigen op een kraamfeest. Daar hoeft je kind natuurlijk zelf niet de hele tijd bij te zijn. 

Familieleden en vrienden die verkouden zijn, koorts of last hebben van braken of diarree moeten wachten met op bezoek komen. Net als mensen met een koortslip of gordelroos.

Wiegendood

Soms overlijden baby’s onverwachts in hun slaap terwijl ze verder gezond leken. Dit heet wiegendood en wordt ook wel Sudden Infant Death Syndroom (SIDS) genoemd. Over de oorzaak van wiegendood is nog veel onduidelijk. Wel zijn er een aantal risicofactoren bekend. Sommige factoren zijn niet te beïnvloeden maar andere factoren weer wel. De factoren waar we wel invloed op hebben zijn onder andere:

  • Rugslapen: Het is het beste om je baby in rugligging te laten slapen. Uit zijligging rolt een baby namelijk na een paar weken al gemakkelijk op de buik. Buikligging heeft een aantal negatieve effecten. Zo kan de baby met de neus en de mond tegen het matras komen te liggen waardoor uitgeademde lucht min of meer wordt vastgehouden en kan een baby in buikligging minder warmte afgeven waardoor de baby het warm kan krijgen.
  • Warmtestuwing: Door slechte ventilatie in de kinderkamer en teveel lagen beddengoed kan je baby het te warm krijgen of kan zijn ademhaling tegengehouden worden. Als een baby de warmte niet kan afgeven aan de omgeving en de lichaamstemperatuur is verhoogd, spreken we van warmtestuwing. De bloedvaten in de huid worden wijd open gezet in een poging om af te koelen. Het hart zal hierdoor overbelast worden.
  • Samen slapen:  De veiligste slaapplaats voor een baby is in zijn eigen wieg of bedje. Samen met je baby in één bed slapen, is zeker in de eerste vier maanden een risicofactor. De baby kan het warm krijgen, tussen matrassen bekneld raken, uit bed vallen of met zijn gezichtje tegen kussens aandrukken. Daarnaast zou een slapende ouder over de baby kunnen rollen. Het risico neemt toe bij onder andere vermoeidheid en stress.
  • Roken: Roken van de ouders verhoogt het risico op wiegendood. Dit geldt ook voor passief roken (rook die in de kleren of haren blijft hangen). Dit heeft een ongunstig effect op de zuurstofvoorziening, groei en longfunctie van de baby.
  • Medicijnen: Kalmerende medicijnen kunnen een rol spelen bij wiegendood. Kalmerende stoffen kunnen de baby te diep laten slapen wat nadelige gevolgen heeft voor de ademhaling. Als je borstvoeding geeft, moet je deze medicijnen dan ook alleen gebruiken in overleg met een arts.
  • Borstvoeding: Als je borstvoeding geeft verminder je het risico op wiegendood. Over de reden daarvan is nog weinig bekend.
  • Klik op deze link voor meer informatie over (voorkómen van) wiegendood.
Verwerken van je eigen emoties

Als je eenmaal thuis bent en de eerste periode van wennen aan dit nieuwe leven met elkaar achter de rug is, denken veel mensen om je heen dat ‘alles nu toch goed is’. Maar veel ouders merken na zo’n twee, drie maanden thuis, dat ze er dan pas aan toekomen om zich te realiseren wat ze allemaal beleefd hebben in de afgelopen weken en maanden. Ze voelen zich dan verdrietig of op een andere manier flink uit hun evenwicht. De omgeving lijkt dat niet altijd makkelijk te begrijpen, maar het is heel normaal. Jij bleef overeind toen het echt nodig was en nu er een beetje tijd en ritme komt, kun je terugdenken en de spannende momenten soms intensief herbeleven. Ook tussen partners kan er in deze periode een groot verschil zijn in emoties. Als het niet lukt om elkaar te begrijpen, vraag dan eventueel hulp. Gun elkaar vooral de kans om het ieder op een eigen manier te ordenen en de herinneringen op te ruimen zoals het bij jezelf past. 

Netwerk: Wat ook helpt om het zorgen vol te houden, is gebruik maken van je netwerk. Zoals je ouders of goede vrienden. Wees niet te bang hen om hulp te vragen; zij doen het meestal graag. Als anderen een paar uurtjes oppassen, kun je rust en ontspanning zoeken. Er zijn ook professionele oppasbureaus waar je tegen betaling gebruik van kunt maken. Sommige bureaus bieden ook oppas voor in de nacht aan. Ook voor je eigen ouders, de opa’s en oma’s van je kind, is het een enorm spannende tijd (geweest). Naast de zorgen om hun kleinkind zagen ze ook hoe zwaar jij het had. Ongetwijfeld wilden ze je helpen waar het maar kon – misschien mocht een ouder kind bij hen logeren – maar ook zij hadden een machteloos gevoel bij het zien van je kind in de couveuse. Ook voor hen is het een opluchting dat hun kleinkind nu thuis is. Praat samen over de achterliggende periode; dat lucht op en geeft steun. De meeste grootouders willen graag vaak op bezoek komen. Het is fijn om daar vanaf het begin goede afspraken over te maken. Je gunt hen de ruimte om een band op te bouwen met hun kleinkind, maar als ouder heb je de regie. Jij kent je kind het beste.

De betrokkenheid van oma’s en opa’s en andere familie als broers en zussen, of heel goede vrienden kunnen je een gevoel van grote steun geven. Soms is het lastig om goed van elkaar te begrijpen wat nuttig en nodig is aan hulp en wat dingen zijn die je liever zelf blijft doen (boodschappen, eten koken, etc.). Wees duidelijk in wat je prettig vindt van de hulptroepen, zij kunnen het niet raden. Zo voorkom je onnodige oplopende spanning met hen. 

Wanneer de rust weer terugkeert, voelen je oudere kinderen dat je weer beter beschikbaar bent, Vaak halen zij de tijd dat ze extra rustig waren weer in. Net als jij als ouder heel moe bent van de afgelopen periode. Het is fijn als je juist dan geregeld wat extra hulp krijgt. Zo kun je misschien ook iets alleen met je oudere kind doen en de baby bij de oppas laten.

Hulp:

Voel je je erg verdrietig, angstig of op een andere manier niet goed? Twijfel dan niet om contact op te nemen met je huisarts en om hulp te vragen. Hulp vragen is een teken van kracht, en geeft aan dat jij het beste probeert te doen voor jou en je gezin. 

Het is helemaal niet gek als je je niet goed voelt na een heftige periode, en je bent daar niet alleen in. Voor contact met lotgenoten kun je ook eens kijken op de website van de patiëntenvereniging voor ouders van couveusekinderen. Zie ook het artikel “Lotgenoten”.

Tips voor thuis
Voeding

Als je baby naar huis gaat, krijgt hij meestal 8, maar soms 7 voedingen. Bij ontslag wordt met je besproken hoeveel voeding je baby nodig heeft. In het ziekenhuis is je baby misschien gewend geraakt aan de voedingstijden van het ziekenhuis. In de thuissituatie kun je deze tijden aanhouden of langzaam aanpassen aan je eigen dagritme. Het consultatiebureau geeft je verder adviezen over de voeding, tenzij anders is afgesproken. 

Borstvoeding

Krijgt je baby borstvoeding, dan mag hij in principe drinken naar behoefte, tenzij anders afgesproken is met jou. Aan de tevredenheid van je baby merk je snel of je baby voldoende voeding krijgt. Let er wel op dat je kind ongeveer 4 plasluiers per dag heeft. Zo weet je zeker dat je baby voldoende voeding binnenkrijgt. Een baby die borstvoeding krijgt, heeft meestal zachte ontlasting. Na een aantal weken varieert het aantal poepluiers van één in de 6 dagen tot 7 luiers per dag. Zolang je je baby volledig of meer dan de helft borstvoeding geeft, moet je je baby elke dag vitamine K en vitamine D geven. 

Kunstvoeding

 Krijgt je kind kunstvoeding, dan is het belangrijk de instructies op de verpakking te volgen. De voeding moet per fles klaargemaakt worden. In Nederland kan gewoon leidingwater gebruikt worden. Het opwarmen van de flessen kan met behulp van een flessenwarmer, magnetron of au bain-marie. Bereidde kunstvoeding mag niet langer dan een uur bewaard worden. Gooi restjes voeding altijd weg. Controleer altijd of de voeding op de juiste temperatuur is, bijvoorbeeld door een druppel voeding op de binnenkant van je pols te laten vallen. Flessen en spenen moeten na gebruik omgespoeld worden met koud water en hierna worden schoongemaakt met heet water en afwasmiddel. Voor de binnenkant van de fles wordt een speciale borstel gebruikt. Fles en speen kunnen in de vaatwasmachine. Het advies is om deze 1 keer per 24 uur uit te wassen of uit te koken. 

Buiten wandelen

Je kunt met je baby buiten wandelen. Ook als het kouder is, kan dat prima. Je kleedt je kind normaal aan (romper, pakje, jasje en muts) en legt je baby in een eventueel voorverwarmde kinderwagen. Bij vorst leg je een extra deken in de wagen. Let er wel op dat je baby het niet te warm krijgt. Let er in de zomer op dat je je baby beschermt tegen de zon. Controleer na het wandelen een keertje extra de temperatuur van je baby. 

Slaaphouding

De afdeling neonatologie (en ook de thuiszorg) adviseert iedereen om zijn baby op de rug te laten slapen. Draai het hoofdje afwisselend naar links of rechts. Kijk voor meer informatie over ‘veilig slapen’ op deze website: https://www.veiligheid.nl/kinderveiligheid/slapen/veilig-slapen. 

Huilen

Het is normaal dat je baby wel eens huilt. Probeer in eerste instantie een oorzaak te vinden voor het huilen en neem, als dat mogelijk is, deze oorzaak weg. Oorzaken van het huilen kunnen zijn: 

  • Honger
  • Een vieze luier
  • Vermoeidheid/oververmoeidheid
  • Er zit een boertje dwars. 
  • Na de voeding last van darmkrampjes (in dit geval huilt je baby hard en hardnekkig en maakt een gespannen indruk)
  • Pijn 
  • Het zoeken van contact/aandacht 
  • Het om één of andere reden uit zijn doen zijn 
  • Overgang naar een ander voedingsritme of regeldagen bij borstvoeding
  • Te hoge of te lage temperatuur. 

Als je baby veel huilt is het belangrijk om niet in een vicieuze cirkel terecht te komen: zelf steeds vermoeider raken, prikkelbaar worden en minder kunnen verdragen waardoor je baby nog meer gaat huilen. Probeer hiervoor praktische oplossingen te bedenken, zoals een oppas regelen zodat je zelf even goed kunt slapen, of af en toe een nacht apart slapen. Het kan ook helpen een huildagboek bij te houden om overzicht voor jezelf te creëren. 

Denk je dat je baby pijn heeft, abnormaal veel of hard huilt, of maakt het huilen je ongerust? Raadpleeg dan de huisarts, kinderarts of het consultatiebureau. Zie ook het artikel “Huilbaby”. 

Hygiëne

Je baby kan al in bad vanaf de eerste levensdag. Het is niet nodig om te wachten tot de navelstreng eraf valt. Je hoeft je baby niet elke dag te wassen. De kamer waarin je je baby wast moet warm zijn (23-25ºC) en zonder tocht of open ramen. Bereid alles voor wat je nodig hebt: warm badje (35-36ºC), zeep met neutrale pH, zachte spons, grote handdoek om af te drogen. Het bad moet niet te lang duren om te voorkomen dat je baby kou vat, maar moet tegelijkertijd ook een moment van rust, stimulatie en ontspanning zijn. Blijf er altijd bij wanneer je je baby in het badje doet. Het is belangrijk om voorafgaand aan het badje de billen goed schoon te maken. Ondersteun tijdens het wassen het hoofdje van je baby met je onderarm en was eerst het hoofd en gezicht, dan romp, armen en benen, en op het laatst de billen. Droog voorzichtig af zonder te wrijven. 

Nagelverzorging

Vanaf 15 dagen na geboorte kunnen nagels geknipt of gevijld worden. gebruik hiervoor een vijl of schaartje met een ronde punt. Knip of vijl de nagels recht aan de handen en voeten. Doe dit alleen wanneer je kind rustig is.

Veiligheid thuis
  • De veiligste plek om te slapen in de eerste paar maanden is in een eigen wiegje in de slaapkamer van de ouders. De spijlen van de wieg moeten maximaal 6 cm uit elkaar zitten. Er moet een passend matras in zitten. 
  • Het is belangrijk om er voor te zorgen dat je wiegje, buggy, autozitje of maxicosi voldoen aan de veiligheidseisen. Doe in een zitje altijd het tuigje vast.
  • Laat een baby nooit alleen achter op stoelen, bedden, banken of een commode.. Zelfs niet voor een paar seconden.
  • Let op met versieringen zoals kettingen, touwtjes of linten. Deze kunnen om de nek vastraken. Ook kunnen kleine onderdelen afbreken die per ongeluk ingeslikt kunnen worden
  • Controleer altijd de temperatuur van het bad voor je je kind erin doet. Zorg ervoor dat je elektronische apparaten uit de buurt houdt van het bad.
  • Wees voorzichtig met de temperatuur van voedsel. Zeker uit de magnetron, omdat het eten daarbij ongelijk kan worden verwarmd.
  • Vermijd brandende kachels in de kamer. Zorg ander in elk geval voor voldoende ventilatie.
  • Laat een kind nooit alleen thuis of in een voertuig.
Veiligheid in de auto

Tijdens alle ritjes in de auto moet een baby in een passend kinderzitje zitten, afhankelijk van lengte en gewicht. Je zitje moet altijd naar achteren gericht zijn op de achterbank. Indien er geen achterbank is, mag het zitje naast de bestuurder. Ook hierbij moet het zitje naar achteren worden gericht. Het is belangrijk om de airbag los te koppelen als je kinderzitje voorin zit.

Huisdieren

Een aantal aanbevelingen met betrekking tot huisdieren luiden als volgt:

  • Laat luiers en kleding van de baby ruiken aan je huisdier. Laat je huisdier de baby ruiken, maar laat deze nooit alleen met je baby. Vermijd dat je huisdier naar je baby slaapt.
  • Besteed aandacht aan je huisdier, ook wanneer je kind wakker is.
  • Zorg voor goede hygiëne en zorg dat je huisdier de nodige vaccinaties krijgt. Vermijd contact met eventuele antiparasitaire halsbanden, want deze kunnen toxisch zijn. Houd in de gaten of je baby niet allergisch is voor haren of kwijil.
Kleding

 De kleren van je baby moeten gemaakt zijn van natuurlijke producten (katoen, linnen), los zitten rondom de nek enkels en polsen, makkelijk aan te trekken zijn en niet rafelen. Het is beter om kleding vast te maken met haakjes dan met knopen. wanneer je de kleren wast moet dit met neutrale zeep en moeten de kleren goed worden uitgespoeld. Bleek en wasverzachter worden niet aangeraden. Als deze adviezen worden gevolgd, hoef je de babykleren niet te onderscheiden van je andere was.

Nazorg

Policontrole bij de kinderarts:

Het aantal controles op de polikliniek kan verschillen van geen controles, een éénmalige controle of meerdere controles. Indien je baby onder de 30 weken is geboren, wordt hij ook vervolgd in een academisch ziekenhuis op vaste momenten (landelijke neonatale follow-up LNF). Op de polikliniek van het post IC-HC of algemene ziekenhuis wordt je baby gezien door een assistent of de kinderarts. Je gaat ook op controle bij je consultatiebureau. 

Prematuren poli: Pasgeborenen die prematuur geboren zijn of een te laag gewicht hebben, kunnen in sommige ziekenhuizen voor controles terecht op een speciale poli voor prematuren. Dit is vaak een gecombineerd spreekuur met de neonatoloog, fysiotherapeut, logopediste en een JGZ verpleegkundige. Psychologische nazorg kan door de psycholoog vaak geboden worden op de poli eventueel in combinatie met andere afspraken op het prematurenspreekuur. 

Couveusenazorg: Normaal gesproken hebben ouders van een pasgeboren baby, afhankelijk van hun zorgverzekeraar, recht op minimaal 24 uur kraamzorg verdeeld over acht dagen. Als je baby tijdens die dagen echter in het ziekenhuis verblijft, komt dat recht meestal te vervallen. Als ouder van een baby, die op de afdeling Neonatologie opgenomen is geweest mis je deze kraamzorg. Je mist dan de hulp en tips van de kraamhulp, die je toch net een stukje op weg kunnen helpen in de thuissituatie. Ook is het best moeilijk om er na al die zorg in het ziekenhuis ineens alleen of met z’n tweeën voor te staan. De meeste kraamcentra bieden uitgestelde kraamzorg of couveusenazorg aan. Er komt dan een paar keer een gespecialiseerde kraamverzorgende langs om informatie en tips te geven en je te adviseren. Zij komt een paar uur (vaak 3 keer 3 uur) langs om tips en handvatten te geven, zodat je met vertrouwen je baby thuis kunt verzorgen na de periode in het ziekenhuis. Zij kan vragen beantwoorden zoals: Waar kan het badje het beste staan? Is de babykamer niet te warm of te koud? Hoe past het geven van borstvoeding in mijn dagelijkse ritme? Sommige kraamcentra hebben geen gespecialiseerde kraamverzorgenden. Vraag dan om iemand met veel ervaring. Maar let op: uitgestelde kraamzorg zit niet in de basisverzekering. Je moet een aanvullende verzekering hebben. Dus kijk je polis goed na om uit te zoeken of je hiervoor in aanmerking komt en wat er wel en niet wordt vergoed. Je kunt natuurlijk altijd even met je zorgverzekeraar bellen om het na te vragen. 

Weer aan het werk:

De weken vliegen voorbij en voor je het weet word je weer terug verwacht op het werk. Sinds 1 januari 2015 wordt het bevallingsverlof verlengd voor moeders van wie de kinderen na de bevalling of gedurende het bevallingsverlof in het ziekenhuis zijn opgenomen. Het uitgangspunt is dat je als moeder de gelegenheid moet hebben tien weken thuis door te brengen met je kind na ontslag uit het ziekenhuis. Je totale zwangerschaps- en bevallingsverlof is normaal gesproken zestien weken. 

Wanneer je kind te vroeg geboren is, krijg je de weken van vóór de uitgerekende datum, na de geboorte erbij. Als die extra weken nog niet zorgen voor tien weken samen thuis, heb je recht op maximaal tien weken extra verlof. Het UWV telt de eerste week ziekenhuis echter niet mee, zodat het in de praktijk maximaal negen extra weken worden. Het is fijn als je werkgever je ondersteunt bij je terugkeer op het werk. Vaak kan dit in samenwerking met de bedrijfsarts. Ga tijdig in gesprek. Als jouw bedrijfsarts/werkgever meedenkt bij het zoeken naar een soepele oplossing, kan dat veel frustraties voorkomen. 

Waren er medische complicaties rond je bevalling, dan is de standaard verlofperiode nauwelijks genoeg om bij te komen. Informeer of eerder gemaakte afspraken over je terugkeer kunnen worden versoepeld en of er bijzondere verlofregelingen zijn. De maatschappelijk werker kan je hierbij helpen.

Ben je zzp-er, dan is de situatie anders. Als je niet werkt, komt er ook geen geld binnen. Maar je hebt ook de vrijheid om zelf te bepalen of en hoeveel je werkt. Praat met je partner en andere mensen in je omgeving om te bekijken hoe jouw bedrijf in deze periode blijft draaien.

Partners krijgen na de geboorte van hun kind een week volledig doorbetaald geboorteverlof. Je kunt dat verlof meteen opnemen, maar dat mag ook in de eerste vier weken na de bevalling. Ook regelt deze wet dat partners in het eerste half jaar na de geboorte van de baby nog eens vijf weken extra geboorteverlof kunnen opnemen. In die periode heb je recht op een uitkering ter hoogte van 70% van het loon. Als je kind meerdere weken in het ziekenhuis ligt is dit verlof natuurlijk niet genoeg. Er is dan nog de mogelijkheid om zorgverlof aan te vragen. Meer informatie over verlofzaken vind je op de website van de Rijksoverheid.

Reanimatie

Reanimatie valt onder de BLS (basic life support). Dit wordt gebruikt wanneer er sprake is van een (dreigende) hartstilstand. Voor deze reanimatie heb je geen speciale benodigdheden nodig.

Basic Life Support: Allereerst moet je de veiligheid van jezelf en je baby waarborgen. In het geval van een ongeluk, moet je ervoor zorgen dat de wervelkolom zo recht mogelijk gehouden wordt. Als tweede moet je nagaan hoe alert de baby is door voorzichtig te stimuleren zonder plotselinge schokkende bewegingen.

Wanneer je baby niet ademt, niet reageert en bleek of blauw is:

  • Probeer te stimuleren: roep zijn/haar naam, tik tegen de voet
  • Wanneer je baby niet reageert, roep om hulp.
  • Leg de baby op een platte ondergrond met de nek in neutrale positie.
  • Zorg ervoor de de luchtweg vrij is; controleer voor slijm of spuug en verwijder dit met je vinger.
  • Geef 5 beademingen. Zet je mond over neus en mond van je baby terwijl je de neutrale positie van je baby behoudt en probeer lucht in je baby te blazen. Kijk of de borstkas omhoog komt. Wanneer dit niet het geval is, controleer de positie van je baby en of de ademweg vrij is.
  • Evalueer na de beademingen. Als er geen verschil is, ga door met reanimeren. Geef 30 borstcompressies, gevolgd door 2 beademingen (30:2). Herhaal de cyclus.
  • Om borstcompressies te geven. Plaats twee vingers (wijs- en middelvinger) net iets onder de ruimte tussen de twee tepels en duw hard omlaag tot éénderde diepte van de borstkas.
  • Ben je alleen? Reanimeer gedurende één minuut alvorens hulp te halen.
  • Houdt bij het reanimeren de verhouding borstcompressies/beademingen op 30:2.

Inschakelen hulpdiensten:

Na 1 minuut reanimatie, begonnen met 5 beademingen, schakel je aanvullende hulpdiensten in. Indien je moet verplaatsen om hulpdiensten te bellen/bereiken, neem de baby mee om het reanimeren zo min mogelijk te onderbreken. 

Als er meerdere hulpverleners ter plaatse zijn, moet één doorgaan met reanimeren terwijl de anderen hulp regelen. Bij het informeren van hulpdiensten, geef de volgende gegevens door:

  • Zeg dat het om een reanimatie gaat.
  • Geef de locatie door: adres, stad, straat en huisnummer, etc.
  • Vertel wat er is gebeurd.
  • Geef de leeftijd van het kind door.
  • Vertel wat voor methode in reanimatie wordt toegepast.

Verstikking/luchtwegobstructie

  • Houdt altijd rekening met een luchtwegobstructie wanneer je kind aan het eten is of met kleine objecten speelt. een obstructie gaat gepaard met hoesten of plotse benauwdheid.
  • Leg je baby voorover op je onderarm. Gebruik de muis van je hand en geef een stomp tussen de schouderbladen. Geef 5 stompen en controleer na elke stomp of de obstructie is opgelost. Verwijder het object met je vingers uit de mond van je baby.
  • Wanneer de obstructie niet is opgelost, leg de baby op zijn/haar rug en plaats twee vingers in het midden van de borstkas en geef 5 stoten.
  • Als je baby nog steeds aan het stikken is, zorg dat 112 wordt gebeld en wissel 5 stompen op de rug af met 5 stoten op de borstkas tot de hulpdiensten arriveren. Wanneer je baby bewustzijn verliest, start met reanimatie.